Hoofdzaken
Niet-aangeboren hersenletsel bij forensisch-psychiatrische patiënten
In het kort
Hoofdonderzoeker: Dr. Siri Noordermeer
Betrokken instellingen: VU Amsterdam, Universiteit Leiden en PI Haaglanden
Startdatum onderzoek: 1 april 2022
Einddatum onderzoek: 31 maart 2024
Aantal patiënten in onderzoek: 150
De vraagstelling van het onderzoek
Doel van het onderzoek is het verkrijgen van meer kennis over de aard en ernst van niet-aangeboren hersenletsel (NAH) en daarmee gepaard gaand neurocognitief functioneren bij forensisch-psychiatrische patiënten. Internationale literatuur wijst erop dat ongeveer 50% van de forensische populatie last heeft van (de gevolgen van) NAH. Daarnaast wordt NAH geassocieerd met antisociaal gedrag, psychische problematiek, verslaving, agressief gedrag en cognitieve problemen, waaronder een beperkte impulscontrole. Het structureel in kaart brengen van de verschillende aspecten van NAH, dus niet alleen de ernst of de locatie, maar juist ook de geassocieerde neurocognitieve problematiek, zal klinisch relevante informatie opleveren. Door deze combinatie te bestuderen kan een beeld verkregen worden van het algeheel functioneren en eventuele beperkingen in interacties van deze patiënten. Hierdoor kan, onder andere, de vraag hoe de relatie tussen NAH en behandeling eruit ziet, beantwoord worden. Dit kan zowel de behandeling als therapietrouw van deze patiënten verbeteren, aangezien er adequaat rekening kan worden gehouden met de aanwezige neurocognitieve problematiek ten gevolge van NAH. Uiteindelijk zal dit leiden tot een betere prognose en mogelijk een lager recidiverisico.
Het onderzoek
De onderzoekers zullen 150 participanten van het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) van de PI Haaglanden screnen op NAH middels enkele neurocognitieve testen en vragenlijsten, om zo efficiënt mogelijk zoveel mogelijk relevante informatie te verkrijgen. Van de positief gescreende participanten wordt naar verwachting een deel doorverwezen voor een MRI-scan. Tevens maken de onderzoekers gebruik van beschikbare dossierinformatie, die de PPC’s in Nederland reeds standaard verzamelen. Door al deze gegevens te combineren kunnen associaties tussen (gevolgen van) NAH en comorbide psychische of functionele stoornissen, agressie-incidenten en recidiverisico worden onderzocht. Tevens wordt onderzocht of er voorspellers te bepalen zijn, in termen van beschermende en risicofactoren, voor behandeluitkomsten en of er profielen te identificeren zijn binnen deze forensische populatie.
Resultaat
In het onderzoek is gekeken of mannelijke forensisch-psychiatrische met niet-aangeboren hersenletsel andere, of meer, problemen ervaren dan mannelijke forensisch-psychiatrische zonder niet-aangeboren hersenletsel. Eerst is de algemene aanwezigheid van psychiatrische problematiek en niet-aangeboren hersenletsel (NAH) beschrijvend onderzocht in de groep van 123 deelnemers, dus voor alle forensisch-psychiatrische patiënten. Daarna is specifiek gekeken naar verschillen tussen de groep met en de groep zonder NAH op het gebied van communicatievaardigheden, werkgeheugenvaardigheden en mentale flexibiliteit. Tevens is er onderzocht of de groepen verschilden op delictkenmerken, zoals het soort delict (wel of niet gewelddadig) en de leeftijd waarop het eerste delict is gepleegd. Het bleek dat NAH veelvoorkomend is binnen forensisch-psychiatrische patiënten, met een prevalentie van 54%. De groep met NAH verschilde qua problematiek binnen de onderzochte domeinen echter niet van de groep zonder NAH. Dit wijst erop dat er naast bestaande psychiatrische problematiek geen grotere beperkingen ervaren worden door het bijkomende NAH. Beide groepen ervaarden dus een even aanzienlijke mate van beperkingen. Wat betreft delictkenmerken waren er wel verschillen tussen de groep met NAH en zonder NAH. Zo bleek de groep met NAH op gemiddeld jongere leeftijd het eerste delict te hebben gepleegd. Tevens bleek deze groep vaker voor hun 18de al veroordeeld te zijn en vaker betrokken te zijn bij gewelddadige delicten.
English
In the current study it was examined whether male forensic psychiatric patients with acquired brain injury experience other, or more, impairments than male forensic psychiatric patients without acquired brain injury. First, the general presence of psychiatric problems and acquired brain injury (ABI) was descriptively investigated in the group of 123 participants, i.e. for all forensic psychiatric patients. Subsequently, specific differences between the group with and the group without ABI were examined in the domains of communication skills, working memory skills and mental flexibility. It was also investigated whether the groups differed in terms of offence characteristics, such as the type of offence (violent or non-violent) and the age at which the first offence was committed. It appeared that ABI is common among forensic psychiatric patients, with a prevalence of 54%. However, the group with ABI did not differ in terms of impairments on the investigated compared to the group without ABI. This indicates that, in addition to existing psychiatric problems, no greater impairments are experienced due to the additional ABI. Both groups experienced an equally significant degree of impairments. Regarding offense characteristics, there were differences between the group with ABI and without ABI. Firstly, the group with ABI appeared to have committed their first offense at a younger age on average. Moreover, this group also was convicted more often before the age of 18 and was more often involved in violent offenses.
